vrijdag 13 juli 2018

""Boek DIEP"" => een stuk uit Rocco. Rocco Berterame zijn levensverhaal.

Mijn naam is Rocco. Rocco Berterame. Ze noemen me ook Piccolo. Omdat ik zo klein ben. Dat zal me ooit helpen om vlot door de nauwe mijngangen te kruipen. En misschien ook wel om te ontsnappen. Aan de Duitsers. Aan de Russen. Aan een droef lot dat velen van mijn landgenoten hebben moeten ondergaan.

Rocco Berterame: in het spoor van het valieske

(…) Slavernij onder de grond
We zijn met 552. We slapen in barakken, op houten planken, drie boven elkaar. Geen matras, één dekentje per man. Te klein om je helemaal toe te dekken. Die kou! ’s Nachts kruipen we dicht bij elkaar om ons toch wat op te warmen, om toch wat te slapen. We hebben onze slaap nodig. Het werkregime is zwaar. Er zijn twee posten: een nachtpost en een namiddagpost. De uren verschillen, het proces blijft hetzelfde. Je werkdag start met de Duitser met zijn fluitje. Bij de eerste fluittoon spring je meteen uit bed en sta je in houding. Wie dat niet doet, krijgt een klap van de geweerkolf. Onze Duitse bewakers dulden geen ongehoorzaamheid.

Een groep soldaten begeleidt ons naar de mijn, zodat niemand kan ontsnappen. Eerste halte: de lavaar, de badzaal. We hangen onze schaarse kledij aan een ketting en trekken die omhoog. Daarna gaan we de diepte in. De mijn is niet groot – er werken zo’n 600 mannen – maar de steenkoollagen zijn dik. De diepste gang ligt 600 meter onder de aardkorst. De liftjes zijn kleine kooien, vijf compartimenten voor telkens 20 man.

Hoe dieper je gaat, hoe hoger de temperatuur stijgt. In de gangen is het snikheet. Ventilatie is er hier niet. Het blijft heet, en het mijngas blijft hangen. De omgeving is onveilig. Instortingen, gasontploffingen … ze gebeuren. Zelfs een mijnramp doet de activiteiten niet stoppen. Er zijn mijnen genoeg in de omgeving. Als de ene even niet toegankelijk is, dalen we in een andere af. Tot de gangen weer zijn vrijgemaakt.

Materiaal en kolen: het wordt hier allemaal met het paard vervoerd. Er zijn geen bovengrondse
treinsporen. Ondergronds loopt wel een dubbel spoor. Een machine met kabels zet de wagons in beweging. Ik sta een tijd aan zo’n machine: 5 volle wagens afladen zodat iemand ze kan overladen op het paard. De lege wagens gaan naar de ouvri, die vult ze weer met steenkool. Met pure mensenkracht. Er zijn hier geen riemen of lopende banden, zoals later in Beringen.

Een vrije dag bestaat niet in een krijgsgevangenenkamp. Zondag, Kerstdag, Nieuwjaar ... Het maakt niet uit. Lente, zomer, herfst, winter: altijd werken we acht uur per dag. Onafgebroken. Geen pauze, geen eten, geen drinken. Krijgsgevangenen hebben geen rechten, ook niet in snikhete mijngangen. Vaak krijgen we draaiingen van de honger en de dorst. Als het echt niet meer vol te houden is, steken we een blokje steenkool in onze mond en knabbelen erop. Zoals op kauwgum. Om toch iets in onze mond te hebben. Twee jaar lang werken we zo in de mijnen van Hindenburg, twee jaar lang lijd ik honger.

Na acht uur zwoegen brengt de kleine kooi ons weer naar boven. Een Duitse soldaat geeft ons allemaal een lepel soda om ons te wassen. Soda is zoals grof zout, het pikt alsof iemand je met een schaar prikt. We wassen ons allemaal tegelijk, in één grote ruimte. Geen douche per persoon. Ik was jouw rug, jij de mijne, anders gaat niet. Daarna kleden we ons aan en stappen we van de lavaar naar de barak. Van de lavaar naar de barak, van de barak weer naar de lavaar … iets anders is er niet. Even het kamp verlaten, is onmogelijk. Overal is er prikkeldraad.

Onze beloning na een dag werken? Een kommetje soep. Bijna puur water. Als we er een patat in vinden, kunnen we onze vreugde niet op. Oh ja, er is ook brood. Duits brood, groot en zuur. 800 gram, te verdelen onder vier mijnwerkers. Een kommetje watersoep en 200 gram brood: dat is ons dagloon. Veel krijgsgevangenen halen het niet. Vooral de grote mijnwerkers sterven, mannen met een groot gestel. Tja, een mens is gemaakt zoals een auto, een grote auto slikt meer benzine dan een kleine. Ik ben klein, piccolo. Ik spartel me er doorheen. Maar ik zou er niet meer zijn zonder Franz, een oude Duitser uit Hindenburg. Franz redt mijn leven.

Het boek kost €20 en dit kan je bekomen via www.hetvervolg.org/diep , maar in de boekhandel algemeen is dit boek ook verkrijgbaar